Wat u niet in de kranten leest

De rechterlijke macht als instituut heilig verklaard!

Tijdens de conferentie ‘Onze  rechtsstaat in de 21e eeuw’ in het oude gebouw van de Tweede Kamer  mocht Herman Tjeenk Willink, minister van staat, op 16 januari 2020 de aftrap nemen.

Hij hield een dialoog met als titel ‘Recht als product of waarde? ‘ en sprak zijn zorgen uit dat de Trias Politica onder druk staat. Op het einde van zijn betoog verklaarde hij de rechterlijke macht als instituut heilig.

De rechterlijke macht is als instituut  weliswaar door Tjeenk Willink heilig verklaard, maar dat betekent nog lang niet dat iedereen die deel uit maakt van die macht heilig is. In tegendeel. Ik ben van mening dat heel veel rechters al lang niet meer weten wat ze ooit bij hun ambtseed  “gezworen” hebben. 

Aan waarheidsvinding (artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), de kern van het beroep van een rechter, komen vele rechters met name in het civiele recht vaak nauwelijks meer toe.

Het feit dat een rechter in een civielrechtelijke procedure een lijdelijke positie inneemt (anders dan de strafrechter) en de rechterlijke waarheidsvinding daar vaak een wassen neus  is,  zorgen ervoor dat een civielrechtelijke procedure al gauw een mijnenveld is.

Bovendien heeft de Hoge Raad enkele jaren geleden toegestaan dat de civiele rechter slechts een beknopte argumentatie in het vonnis hoeft op te nemen over de over- en weer tussen partijen gewisselde argumenten. Dit zet de deur open voor rechters om argumenten van één partij in het vonnis weg te moffelen.

Een outsider die een vonnis leest, kan dan tot de (foute) conclusie komen dat een vonnis er redelijk uit ziet, niet wetende dat er steekhoudende argumenten van één partij zijn weggemoffeld.

Waarheidsvinding wordt echter ook steeds moeilijker omdat advocaten heel ver mogen gaan in de belangenbehartiging van hun cliënt.

In een opiniestuk met als titel ‘Leugens als doping bij justitie’, dat onlangs werd gepubliceerd in Risk & Compliance Platform Europe,  werd hier ook al aandacht aan besteed.

Weliswaar een verhaal afkomstig uit België, maar ik durf te stellen dat de situatie in Nederland niet veel anders is dan in België.

Zelf kreeg ik na afloop van de Rechtsstaatsconferentie  op 29 november 2019 in het Vredepaleis in Den Haag van een raadsheer te horen dat getuigenverhoren vaak onbetrouwbaar zijn omdat advocaten hun cliënten zouden aanzetten tot liegen.

Tijdens conferenties zoals hierboven genoemd, waaraan rechters, politici, advocaten en wetenschappers vaak deelnemen,  zijn rechters per definitie onafhankelijk en onpartijdig en  staan de gebeurtenissen die er in een rechtszaal plaatst vinden nooit ter discussie.

Op 22 november 2018 werd er door Tweede Kamerlid Michiel van Nispen (SP) een motie ingediend om een onderzoek te doen naar klassenjustitie in Nederland. Deze motie werd door de Tweede Kamer aangenomen en het onderzoek zou in 2019 van start gaan.

Of dit onderzoek wat gaat of mag opleveren is nog maar de vraag. Toen ik zelf in 2019 een zaak over klassenjustitie  aanhangig wilde maken bij het WODC werd het contact opeens verbroken toen ik man en paard noemde. Uit ervaring weet ik dat het zonde van de tijd is om er dan nog energie in te steken. Het gevoel bekroop mij wel van de slager die zijn eigen vlees gaat keuren.

Ook een opmerkelijk artikel in afl. 41 van het Nederlands Juristenblad met als titel “Partijdige Rechtspraak werd door de mainstream media (met uitzondering van de Volkskrant, die hier al eerder over berichtte) volkomen genegeerd, misschien bang om mensen van hun geloof te brengen.