Wie misdadige jeugd wil stoppen moet niet alleen het goede in de mens willen zien

In Wynia’s Week van 14 augustus 2021 gaat antropoloog en criminoloog Hans Werdmölder in op de aanpak van criminele jongeren.

Door Hans Werdmölder:

Recente berichten over ernstige vormen van groepsgeweld en het gewelddadige gedrag van jonge criminelen roept vragen op over de bestraffing en aanpak. Daarbij kunnen we putten uit eerdere ervaringen.

Neem de Amsterdamse Top600. Hans Werdmölder keek mee en zag dat Amsterdamse politici terugdeinzen voor het hard aanpakken van jonge criminelen.

Roofmoord als aanleiding

In mei 2011 laat oud-burgemeester van Amsterdam Eberhard van der Laan weten dat gevaarlijke, gewelddadige criminelen van straat moeten worden gehaald. Directe aanleiding was de roofmoord op juwelier Hund op 7 oktober 2010, de tweede dodelijke overval in korte tijd. Hoewel de misdaad in aantal licht daalde, had dit soort overvallen met dodelijke afloop een grote impact op de samenleving. Vandaar de naam High Impact Crimes. Het gaat in de regel om recidivisten, jongeren die al verschillende vrijheidsstraffen hebben ondergaan. Van der Laan wilde rust in de stad.

Hij was niet de enige burgemeester die het geweld in zijn stad meer dan beu was. In hetzelfde jaar, 2010, kwam de burgemeester van Zaltbommel in het blad Binnenlands Bestuur tot de volgende cri de coeur: ‘Pak het tuig keihard aan! De grote massa van de mensen is het echt zat. (…) Ik pleit voor speciale wetgeving voor deze groep, voor jongens die op deze manier de straat onveilig maken, en in Zaltbommel hebben we het dan over Marokkaanse jongens, ja. (…) Bijvoorbeeld een langer voorarrest. (…) In ons strafrecht zijn we uit het oog verloren dat het slachtoffer óók geholpen moet worden.’

2010: het begin

Op initiatief van Van der Laan is in mei 2010 de Top600 van start gegaan. Het was niet zo dat deze jongemannen ongestoord hun gang konden gaan. Dat niet, maar het bleek wel te gaan om een relatief grote groep criminelen waar de politie, het Openbaar Ministerie en de reguliere hulpverlening geen vat op hebben. Volgens het Rapport Overvallen in Nederland hebben er in 2009 in totaal 2.900 overvallen plaatsgevonden. Slechts een kwart daarvan werd opgelost met de aanhouding van één of meer daders. In Amsterdam was het oplossingspercentage lager, slechts 16 procent. Als er iets duidelijk wordt uit het rapport was het wel de verbijsterend lage pakkans.    

De Top600 aanpak is niet alleen gericht op repressie en vermindering van recidive, maar vooral ook op preventie. Daarom hebben politie, justitie, zorginstellingen en de gemeente de handen ineen geslagen om er alles aan te doen om te voorkomen dat deze criminelen kunnen doorgaan met het plegen van misdrijven. De nieuwe aanpak vergt een enorme inzet aan personeel en middelen. Alleen al bij de politie werden 250 dienders vrijgemaakt. De aanpak, waarbij meer dan dertig, later uitgebreid tot ruim veertig organisaties met elkaar samenwerken, bestaat uit lik-op-stuk, zorg, permanent toezicht en begeleiding.

Voorrang voor de Top600-criminelen

De strafzaken van jongeren behorend tot de Top600 komen eerder op de zitting bij de rechtbank, terwijl een hoger beroep voorrang krijgt. Om te voorkomen dat ze opnieuw de fout ingaan krijgen de veelplegers een verplichte screening en maakt zorg deel uit van de straf. Het is een standaardprocedure dat personen uit de Top600 ook naar De Waag gaan. De Waag is een instantie van de forensische geestelijke gezondheidszorg (GGZ) die gespecialiseerde zorg biedt aan jonge personen met grensoverschrijdend of strafbaar gedrag. Hoewel De Waag behoort tot de kring van Top600-instellingen, vindt er vanwege privacy-argumenten geen uitwisseling van informatie plaats. De 600 geselecteerde mannen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor ruim 15.000 misdrijven. Ze zorgen ook voor veel overlast. Tot dan toe werden ze opgepakt en bestraft voor één misdrijf, daarna werden ze op straat gezet en vervielen ze in hun oude patroon.                                                                                                   

Drie kwart van de Top600 heeft de school voortijdig, zonder diploma verlaten en heeft geen startkwalificatie. Het gaat om een categorie jongemannen met minimale bindingen in de samenleving en weinig of geen pro-sociale contacten. Vrijwel alle Top600-cliënten hebben langdurige hulpverlenings-contacten en een waslijst van delicten op hun naam staan. Ook na een aanbod van hulp en begeleiding gaan velen weer in de fout, minimaal één op de drie en maximaal negen op de tien jongemannen.

Misdaad clustert in gezinnen

Bij de selectie van de criminelen wordt gebruik gemaakt van een ‘weegploeg’, onder leiding van een ‘procesregisseur’. De weegploeg bestaat uit personen werkzaam bij de gemeente, politie, justitie en hulpverlening. De lijst bestaat in eerste instantie uit een door de politie samengestelde groslijst (brutolijst). Om op de lijst te komen moet in ieder geval sprake zijn van herhaalde geweldsdelicten.

Er wordt gebruik gemaakt van aanvullende informatie, zoals woon- en gezinssituatie, al dan niet gevolgde scholing, dagbesteding, vrienden en sociaal netwerk, mobiliteit en financiële situatie. Uiteindelijk komt men tot een nettolijst met personen die in de persoonsgerichte aanpak komen. Deze werkwijze zorgt ervoor dat risicovolle daders beter in beeld worden gebracht.

Er wordt niet geselecteerd naar etniciteit, omdat men dit gegeven niet van belang vindt. Dat is opmerkelijk, want er is wel degelijk sprake van verschillen in houding en gedrag tussen personen uit de verschillende groepen. Zo hebben Marokkaans-Nederlandse jongeren wat te winnen met crimineel gedrag, niet alleen in status en aanzien, maar ook in geld. Ze reageren emotioneel, waardoor conflicten vaak uit de hand lopen. Ze stoppen pas als ze het gevoel krijgen dat ze wat te verliezen hebben.

Marokkanen oververtegenwoordigd

Niet voor niets zijn Marokkaanse Nederlanders op deze lijst oververtegenwoordigd. Het was ook dringen om op de lijst te komen, zo heb ik begrepen. Succesvolle criminelen in de drugshandel, onder wie leden van de Mocromafia, zullen niet zo gauw op deze lijst belanden. Zij weten uit beeld te blijven.

Elke Top600-jongere krijgt een casusregisseur toegewezen die verantwoordelijk is voor het permanente toezicht. De casusregisseurs hebben een cruciale rol in de integrale persoonsgebonden aanpak. Iedere casusregisseur heeft tien tot vijftien jongemannen onder zijn hoede. Op zijn of haar initiatief komt er een werkplan per persoon met de diverse stappen in het traject. Hij of zij coördineert de interventies en registreert de voortgang. Dat vereist een goed en effectief netwerk en een gezamenlijke focus. Het uitgangspunt is dat iedereen van de Top600 een dagbesteding heeft. Het hebben van een dagbesteding, zoals werk, is een belangrijke factor voor preventie.

Misdaadgezinnen

Misdaad clustert in gezinnen. Het is een bekend en controversieel gegeven dat familieleden vaak direct of indirect betrokken zijn bij de opbrengsten uit de criminaliteit. Oudere criminele broers kunnen ook fungeren als lokkend voorbeeld. In het kader van het zorggedeelte worden daarom ook de gezinnen onder de loep genomen, de zogenaamde ‘brusjes-aanpak’. Op deze wijze wil men voorkomen dat jongere zusjes en broers van criminelen ook de fout ingaan. In een formele brief wordt de Top600-kandidaat op de hoogte gebracht dat hij behoort tot de risicogroep.

Het succes van deze intensieve en brede aanpak komt snel. Na een jaar vol bedrijf blijkt dat het aantal misdrijven met de helft is afgenomen. Een deel van de Top600 is niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Een ander deel zit vast, en zal bij vrijlating intensief worden begeleid. De lijst wordt iedere zes maanden opgeschoond en aangevuld met nieuwe kandidaten. Met de aanpak van de Top600 wordt het veiliger in de stad.

De Vinkebrug: structuur en discipline

Directe aanleiding voor de start van het project De Vinkebrug is het verzoek van de Bestuursdienst Openbare Orde en Veiligheid (OOV) van de Gemeente Amsterdam. Binnen deze organisatie, die verantwoordelijk is voor de aanpak van de Top600, is behoefte aan een dagbestedingproject voor een lastige groep criminele jongemannen, die niet meer naar school gaat en zonder werk is.

In het dagblad Trouw (13 mei 2013) vertelt Vincent Tersteegh, directeur van De Herstelling, over de aanleiding van het nieuwe project. ‘Toen we benaderd werden met de vraag of we bij De Herstelling, onderdeel van het Re-integratiebedrijf Amsterdam (RBA), ook jongeren uit de Top600 konden plaatsen, zeiden we: “Kom maar, daar zijn we voor.”’

De Herstelling is een project dat al zestien jaar bestaat. Onder begeleiding van ervaren werkmeesters, consulenten en klantmanagers worden langdurig werklozen, vaak met een crimineel verleden, voorbereid voor een baan of opleiding. Het gaat erom dat het werken, dat begint met simpele activiteiten, onder leiding van werkmeesters wordt omgezet in competenties. Ze leren ook arbeidsvaardigheden, zoals op tijd komen en tempo maken.

Maar zo eenvoudig bleek het niet, want die Top600-jongeren zijn van een veel zwaarder kaliber dan de jongeren die De Herstelling gewoonlijk op weg helpt. Aldus Tersteegh: ‘Er moest ook gewerkt worden op de forten, want we zijn tenslotte geen dagbesteding. Maar met die Top600-jongeren erbij waren onze werkmeesters vooral bezig met de zorg voor de veiligheid van andere deelnemers en zichzelf. Om risico’s te vermijden, gingen ze liever de confrontatie uit de weg als zich problemen voordeden. Nou, dan ben je al snel reddeloos verloren.’

Mariniers voor misdadigers

Er moest uit een ander vaatje worden getapt. Tersteegh, een gefingeerde naam, ging op zoek naar een kaliber begeleider dat bij de Top600 past. Die vond hij bij de categorie oud-mariniers. ‘Deze mannen zijn niet onder de indruk van geweld. Ze zijn van graniet en dat stralen ze uit. De sfeer is voortaan: Je doet gewoon wat ik zeg. Die jongens hebben dat snel in de gaten: als ik het niet doe, ben ik nergens. En dat werkt, samen met de dreiging dat jongeren gekort worden op de uitkering als ze er met de pet naar gooien.’ Zijn rechterhand Ibrahim, klantmanager en consulent op de Vinkebrug, zegt daarover: ‘Sancties zijn ook bedoeld om gedragsverandering tot stand te brengen. We worden mede gesteund door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) en medewerkers van de forensische psychiatrie.’                 

Criminelen doodgeknuffeld                                                 

Tersteegh vertelt het hilarische verhaal dat bij de start van het project topambtenaren binnen de gemeente kennis wilden maken met jongens van de Top600. Iedereen vond het geweldig, het waren immers zulke aardige jongens. ‘De één was zo’n getapte Marokkaan, een beetje dik, kwam leuk uit de hoek. De ander was ook heel erg aardig. Burgemeester Van der Laan trapte er ook in, want waarom moesten die leuke jongens van de straat?

Totdat wij hen vertelden wat ze allemaal op hun kerfstok hebben. De één had iemand doodgestoken. De ander had zijn vriendin in elkaar geslagen, die moest worden opgenomen in het ziekenhuis.’ ‘We zijn geneigd,’ aldus Tersteegh, ‘dit type jongens dood te knuffelen, en we trappen er steeds weer in, omdat wij maar niet kunnen afstappen van onze positief christelijke houding, waarin we altijd het goede in de mens willen zien.’   

Regelmaat aanleren                                                             

Eerste doel van het project is agressieve en overlastgevende jongemannen aan te pakken. Dit soort jongeren leidt een chaotisch leven, is crimineel en verslaving kost geld. Het tweede doel is het aanleren van discipline. Regelmaat in het leven aanbrengen. Op tijd naar bed en op tijd naar het werk. Het werk van de deelnemers bestaat uit het verrichten van lichamelijke inspanningen door middel van arbeid in de buitenlucht. Het kan worden gezien als een nuttige dagbesteding. Ter afwisseling worden ook andere werkzaamheden georganiseerd, zoals het snoeien van knotwilgen, het vrijmaken van drijfvuil bij de kades in het nabijgelegen havengebied en het opschilderen van de bouwkeet. Het gaat om eenvoudige werkzaamheden die niet door ander personeel zou kunnen worden verricht, zodat verdringing van betaalde werkzaamheden niet aan de orde is.

Een divers gezelschap en veel weerstand

‘Gedragsverandering is zwaartekrachtverandering,’ zegt Tersteegh filosofisch. ‘Dat klinkt eenvoudig maar is ongemeen ingewikkeld. Ze moeten hun nacht- en dagritme omkeren. De eerste weken zijn ze zwak, ziek en misselijk. Niemand doet dit vrijwillig.’                                                                                     

De dertig tot veertig deelnemers op het traject De Vinkebrug vormen een divers en bont gezelschap. De één komt uit het Marokkaanse Rif, de ander heeft zijn jeugd doorgebracht in Curaçao, weer een ander heeft zijn roots in Suriname of Ghana of is met de stroom vluchtelingen meegekomen uit Iran of Servië. Slechts vijf procent van de deelnemers is van autochtoon Nederlandse afkomst.

Ze hebben allen een problematische achtergrond, met vele antecedenten op hun naam. Een aantal sleept ook de gevolgen mee van een gevaarlijke levensstijl, zoals littekens van schot- of steekverwondingen, zichtbare tattoos met criminele verwijzingen of is in het bezit van slechts een long. De meesten hebben ook een slechte conditie. Er wordt tweemaal per week gesport op een nabijgelegen sportschool, waar de deelnemers met halters en andere apparaten in de weer zijn. Het zijn geen gestructureerde lessen of taakpakketten. De meeste jongemannen, en ook hun mentoren, geven de voorkeur aan krachttraining. Daarnaast krijgen de deelnemers zogeheten circuittraining op het marinecomplex in Amsterdam onder leiding van een externe sportcoach. Ze gaan dan gekleed in een groene legeroveral. Om de week wordt er collectief gezwommen. Dat zijn ook verplichte activiteiten.

Ze willen niet                                           

Er is sprake van veel weerstand, zeker bij de categorie Surinaamse en Marokkaanse jongemannen, die niet gewend zijn om dit soort verplichte activiteiten te ondernemen. ‘We leren er niets,’ is een veelgehoorde opmerking. De aanpak levert ook fricties en emoties op, zeker als ze door de mentoren of consulenten worden aangesproken op hun gedrag.

Ronnie, een vroeg uitgetreden oud-marinier met het hart op de tong, wordt persoonlijk en vertelt dat bij hem een keer is ingebroken. ‘Hoe zou jij reageren als in jouw huis wordt ingebroken en je dochter op een apart kamertje ligt te slapen? Jij denkt alleen maar: met die overval heb ik tweeduizend euro verdiend, klaar. Maar de slachtoffers hebben er nog maanden, soms jaren last van.’ Bij zo’n opmerking halen de meeste deelnemers hun schouders op. ‘Ieder mens maakt wel eens een foutje. We zijn toch allemaal mensen,’ zegt één van hen. Een enkele keer kan het een zaadje zijn dat zich leent voor reflectie op het eigen gedrag. Maar niets gaat vanzelf.

Einde van De Vinkebrug

In 2013 en 2014 heb ik als onderzoeker meegelopen met de activiteiten op De Vinkebrug. In mijn eindverslag kom ik tot negen succesfactoren.

1) Langdurig werkloze jongeren en jongemannen behorend tot de Top600-criminelen in Amsterdam worden uit hun comfortzone gehaald. Door hun werkzaamheden op het traject en deelname aan sportactiviteiten wordt dit type jongeren beter in beeld gebracht. Dat kan handvaten opleveren om ze beter te begeleiden.

2) Het wordt lastig om doelloos thuis te zitten en niets te doen. Aanwezigheid op het traject is een belangrijke pijler. Deelnemers zijn dan niet in de gelegenheid criminele activiteiten te plegen. Ze moeten vroeg op en worden door de werkzaamheden in de natuur geactiveerd. Het opkomstpercentage was 65 procent.

3) Huisbezoeken door de consulenten bij ongeoorloofde afwezigheid verhogen de druk. Tegelijkertijd wordt een beter beeld gekregen van de huiselijke omstandigheden en persoonlijke achtergronden van de deelnemer.

4) De mentoren op dit traject, oud-mariniers, zijn niet onder de indruk van geweld. De aanpak bestaat uit voortdurende confrontatie, duidelijkheid en begeleiding. Discipline en structuur aanbrengen in een chaotisch leven is ook een kwestie van lange adem. Overigens is niet iedere oud-marinier per definitie geschikt om dit soort werk te doen.

5) Het middel van korting op de uitkering, in bepaalde gevallen in combinatie met het uitzitten van een voorwaardelijke straf, is een belangrijk en essentieel onderdeel van de aanpak. Zonder symbolische stok achter de deur lukt het niet. 6) Consulenten geven persoonlijke begeleiding en helpen bij het ontwarren van de persoonlijke problemen. Er is ook voortdurend contact met de flankerende hulpverlening. Bij financiële problemen kan gebruik worden gemaakt van een bewindvoerder en bij gedragsproblemen van de psycholoog van het Nederlands Forensisch Instituut voor Psychiatrie.

7) De Vinkebrug maakt als traject deel uit van een keten. Ook bij beëindiging van de uitkering blijft een Top600-klant onder toezicht en in beeld. Dat geldt niet voor de andere categorieën deelnemers, die hun uitkering opzeggen, als zij de bemoeizucht meer dan zat zijn.  

8) Structurele gedragsverandering, waarvoor in principe drie maanden staat, is in het kader van dit traject echter niet mogelijk. Het project is erop gericht om dit type jongeren van straat te halen en duidelijk te maken dat negatief gedrag niet wordt geaccepteerd. Bij succesvolle deelname volgt plaatsing op een ander traject, stage of werk.

9) Bescheidenheid in verwachtingen is noodzakelijk. Een ervaren mentor zegt erover: ‘Sommige jongens willen wel, maar ze hebben niet de kracht een U-bocht te maken. Ze zitten tot over de oren in de schulden, ze krijgen geen Verklaring Omtrent Goed Gedrag (VOG), hebben weinig of geen opleiding, geen arbeidsverleden en een groot aantal heeft geen ondersteuning van het thuismilieu. Wat moet zo’n jongen dan, ook al is hij van goede wil?’ Dit noopt tot bescheidenheid en realiteitszin.

Hulpverleningsresistent

Niet iedere hardnekkige crimineel is re-integreerbaar. Een aantal beslist niet domme jongemannen is hulpverleningsresistent, wat onderdeel van het probleem is. Zij weten heel effectief de buitenwereld van het lijf te houden door aangepast gedrag te vertonen, zichzelf voor de gek te houden of door gewelddadig te reageren. Ook blijkt dat een aantal deelnemers van het traject heel gemakkelijk terugvalt in het oude, soms agressieve patroon en zich koestert in de rol van ‘eeuwig slachtoffer’.

De rol van het ‘echte slachtoffer’ blijft in deze straffe aanpak buiten beschouwing. Re-integratie van de deelnemers in de samenleving staat centraal. Er is ook kritiek op de klantmanagers werkzaam bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI). Volgens Tersteegh hebben zij een verkeerde mentaliteit. ‘Een onbedwingbare behoefte om goed te doen.’ Volgens hem is het goedkope goedwillendheid, want ze worden er niet op afgerekend.

Irritaties en kritiek

In 2016 krijgt het management te horen dat de betrokken wethouder van Amsterdam Rutger Groot Wassink (Groen Links) de financiering van het project De Vinkebrug heeft stopgezet. Na de verkiezingen van de nieuwe gemeenteraad, met ditmaal onder meer Groen Links en de Socialistische Partij aan het roer, bleek er te weinig politiek draagvlak voor het project. Dat was een harde klap.

Maar ook binnen de gelederen van de gemeente, in het bijzonder bij de klantmanagers van DWI en de specialisten op het diagnosecentrum De Zeehoeve, bleek er weinig draagvlak. De beeldvorming van De Vinkebrug was van meet af aan negatief. Door de komst van de oud-mariniers kreeg het project ook een militair tintje. Anderen, in het bijzonder de medewerkers van het diagnosecentrum De Zeehoeve voelden zich gepasseerd omdat zij niet betrokken waren bij de beslissing om te kiezen voor een ander type mentor c.q. begeleider.

Er was ook sprake van onvoldoende regie om effectief en met kracht door te pakken. Op het hele traject waren een groot aantal begeleiders, mentoren, klantmanagers en hulpverleners in dienst met verschillende inzichten over de juiste aanpak. De casusregisseur zou dit moeten voorkomen, maar was daartoe vaak niet in staat. Dat gaf veel irritaties. Hierdoor kregen deelnemers de kans te hoppen en shoppen van het ene naar het andere traject.

Als Vincent Tersteegh, initiator en vormgever van het project, iets te verwijten valt dan is het dat hij onvoldoende oog had voor het draagvlak binnen zijn eigen organisatie. Hij liep te ver voor de troepen uit.

Gevolg was een te geringe doorverwijzing van Top600 jongeren door de klantmanagers van DWI, in het bijzonder de managers van de afdeling belast met de Top600-klanten. Daar kwam nog bij dat de leiding niet meer kon rekenen op de politieke steun van burgemeester Eberhard van der Laan, die ernstig ziek was en in 2017 kwam te overlijden. Van der Laan was een belangrijke steunpilaar van De Vinkebrug. Hij werd vaak uitgenodigd voor het overhandigen van diploma’s aan deelnemers die het project met succes hadden afgerond.

‘Dwangarbeid Nee’

Tegelijkertijd kwam er kritiek van de Actiegroep Dwangarbeid Nee, mede naar aanleiding van een ‘juichend artikel’ in Het Parool (2 april 2015) over het project. Zo was men zeer kritisch op de veronderstelde relatie tussen het project De Vinkebrug en de daling van criminaliteit in Amsterdam. ‘Dat verband is nooit aangetoond,’ was de mening van Piet van der Lende (van de ‘Bijstandsbond’). Deelnemers zouden op dit ‘disciplineringtraject’ te maken hebben met ‘dwangarbeid’ en ‘mensonterende behandeling’. Dit is volstrekt onjuist.

Twee jaar eerder had het Comité al aan de bel getrokken met een vernietigend rapport over de werkzaamheden op onder meer de projecten van De Herstelling. Ook toen sprak het Comité, mijn inziens ten onrechte, van ‘dwangarbeid’. De Gemeente bleek echter zeer ontvankelijk voor hun argumenten.

Methode De Vinkebrug onder de loep.

Het Top600-project bestaat nog steeds. Per 1 oktober 2015, bij de verlenging van de Top600-aanpak, zijn nieuwe partners op de lijst toegevoegd en is de tekst van het Top600-programma op een aantal punten gewijzigd. Er was zelfs even sprake van een Top1000. Of dit nog steeds gebeurt met dezelfde grote inzet van personeel is mij niet bekend, maar lijkt mij onwaarschijnlijk gezien de huidige krapte aan politiepersoneel. In juli 2019 is de Top600 lijst, op verzoek van de huidige burgemeester – Femke Halsema – uitgebreid met personen die actief zijn in de gewelddadige drugshandel.

De methode De Vinkebrug wordt met dezelfde opzet en energie geïntroduceerd in Den Helder en Zaanstad. Het contract met de Gemeente Zaanstad werd echter door de wethouder op 15 februari 2016 opgezegd, mede naar aanleiding van negatieve verhalen in de pers. Men vond het project te klein en niet meer passen in het nieuwe beleid van de gemeente. Daar was niet iedereen het mee eens. Als reactie besloot de gemeenteraad via een motie het contract met de Stichting Herstelling voort te zetten. In september 2016 was het project De Vinkebrug nog steeds actief in Zaanstad.   

Wat werkt?                           

In november 2017 verschijnt het rapport Methode De Vinkebrug. Participatie en recidivevermindering door inzet op inzetbaarheid. Een programmahandleiding (versie november 2017). Een professioneel bureau is ingehuurd voor de beschrijving van het project aan de hand van What works-beginselen. Dat zijn een zestal bewezen beginselen die staan voor een succesvolle aanpak, waaronder het Risicobeginsel, het Behoeftebeginsel, het Responsiviteitsbeginsel, het Professionaliteitbeginsel, het Integriteitbeginsel en het Eigen contextbeginsel. Hierin wordt duidelijk beschreven wie ervoor in aanmerking komt, het doel van de behandeling of het project, passend bij de doelgroep en het individu, uitgevoerd door professionele en deskundige mentoren of behandelaars, het werken op maat en omschrijving van de locatie waar het project of de behandeling wordt opgezet. De gemeente Zaanstad heeft inmiddels afgehaakt, zodat het rapport alleen betrekking heeft op de situatie in Den Helder, met dien verstande dat men natuurlijk ook de Amsterdamse en Zaandamse ervaringen heeft verwerkt.

Erkenningscommissie

De Methode De Vinkebrug is in 2018 ter beoordeling en verkrijging van subsidie voorgelegd aan de Erkenningscommissie Justitiële Interventies van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zij is als instantie in het leven geroepen om te zien of de aan hen voorgelegde projecten voldoen aan de zogenaamde What Works-beginselen.

De Erkenningscommissie is van oordeel dat nog onvoldoende aantoonbare bewijskracht is of de bestaande interventies wel of geen effect hebben. In het rapport Methode De Vinkebrug worden geen data aangeleverd; het is immers een Programmahandleiding. Om de nodige gegevens te verzamelen is empirisch onderzoek nodig, dat voldoet aan de hoogste criteria van interne validiteit. Het is overigens moeilijk om vast te stellen of iemand is gestopt met criminele activiteiten als gevolg van deelname aan een dwingend leer- of werktraject of door wijziging van de persoonlijke omstandigheden (huwelijk, krijgen van kinderen, overlijden van een familielid, ongeval, e.d.). Meestal is sprake van een combinatie van factoren waarbij ook leeftijd een rol speelt. Er is ook geen vergelijkingsgroep. Het project kan om deze redenen niet in aanmerking komen voor subsidie. De criminoloog Ben Rovers noemt de focus op de What Works beginselen niet bevorderlijk voor innovatie, waarbij je bepaalde risico’s neemt. Dat was ook in het nadeel van De Vinkebrug dat is opgezet als experiment en al doende, via trial and error, vorm heeft gekregen.

Tersteegh en zijn mannen hebben de moed niet opgegeven. Er worden nieuwe wegen ingeslagen, cursussen in teambuilding en omgaan met agressie gegeven en er worden nieuwe samenwerkingsverbanden aangegaan. Ook de banden met de Nederlandse Antillen en Suriname zijn aangehaald.

Slechts op basis van kwalitatieve gegevens, door participatie, directe observaties, interviews en persoonlijke verhalen kan de ‘zwarte doos’ worden geopend. Pas dan krijgen we zicht op de effecten van gepleegde interventies, maar het blijft moeilijk te spreken over causale verbanden. Voor de ene crimineel kan een dwingend gesprek of een gepaste straf aanleiding zijn voor een complete gedragsverandering, voor de ander is het de zoveelste, niet gewilde bemoeienis. Vaak spelen veranderingen in de privésfeer een belangrijke rol in het stoppen met misdaad.

Dat geldt ook voor de delictgerelateerde criminaliteit, alsof je voor elk type misdaad een factor kan aanwijzen die remmend dan wel stimulerend is geweest. De mentoren en consulenten kunnen vanwege privacywetgeving geen kennis nemen van zeden- of seksueel getinte delicten, laat staan dat zij hiervoor remmende activiteiten hebben ontwikkeld.

Ook als het beter gaat kan het weer fout gaan

De jonge criminelen moeten over een langere periode worden gevolgd, want vaak vallen ze na een periode van lotsverbetering en herstel terug in de misdaad. Dat is ook gebleken op grond van mijn onderzoek onder een veertigtal criminele jongens van Marokkaanse afkomst die ik vanaf het begin van de jaren tachtig intensief heb gevolgd. Zie hiervoor mijn boek Marokkanen in de marge (AUP, 2015). Dat geldt vooral als verslaving aan drugs en alcohol een rol speelt, maar het kan ook opgaan voor seksuele delicten, zoals aanranding en seksuele intimidatie op het werk, alsmede geweldsdelicten in de privésfeer.

Re-integratie van jonge, hardnekkige criminelen is een traject met een zeer lange adem, dat wordt nog eens bewezen aan de hand van mijn ervaringen met de Amsterdamse trajecten De Herstelling en De Vinkebrug. Helaas beschikken de Amsterdamse politici, bestuurders en beleidsmakers niet over deze lange adem.

Dit artikel is een bewerking van mijn boek Criminelen in de Houtrakpolder. Aanpak met een stok achter de deur. Uitgeverij Aspekt, 2020.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: